Om nooit te vergeten...
Hoe kun je vijf fantastische fietsdagen in een adembenemend landschap
samenvatten? Nauwelijks! Indrukken weergeven en feiten opsommen, ja, dat
wel. Verwachtingen en uitkomsten naast elkaar zetten, dat ook. Een
poging.
De turbodiesel van Armand, met 180 kilometer per uur over de Duitse
Autobahn zoevend, had al een voorteken moeten zijn: zoals de auto is, is
de baas. Niet bij te benen, bleek later.
Of Adri, die we kennen als een hardrijder op het vlakke en die nu
heel, heel ver mee bleek te kunnen op de flanken van Pordoi en Gardena.
Blij dat hij erbij was (evenals wij), met een knipoog naar "Toni".
De schijnbaar moeiteloze dans van Gilbert met de weerbarstige
Alpenreuzen, die hij met nieuwsgierige blikken bewonderde en met kleine
felle pasjes veroverde. Of de Stille Kracht van Jos. Akelig constant in
het voorste gelid. Nooit uit de toon vallend. Een teamgenoot van het
beste soort. Edwin de Beul, die gewoon bevestigde wat we al wisten. Een
gedeelde eerste plaats met turbodiesel Armand. Breur de wegkapitein, een
sleutelrol die hij met verve vervulde en die hem zelfs genoeg adem liet
om zowel voor als achter in de groep orde op zaken te stellen. Voor
zover dat überhaupt nodig was.
De Adelaar van de Bergstraat, Piet, scheen te zweven boven de ravijnen.
Als een stipje uit het zicht verdwijnend, lager en lager tot hij van de
aardbodem leek verdwenen. Om plotseling weer op te duiken, alsof er
niets aan de hand was geweest. De hapering van Ben bij de start die
slechts de verstandige opwarming voor een meer dan constante prestatie
bleek te zijn. Chapeau! Jean oet Ingber combineerde ervaring met ijzeren
trainingsarbeid en dat bleek de perfecte mix voor een puike tocht, die
misschien niet zo in het oog viel, maar wel degelijk werd opgemerkt. Met
een ijzersterke voorbereiding en geloof in eigen kunnen kom je heel ver.
Ton liet het dag na dag zien, zich opofferend als tempomaker en -breker.
Ger was de locomotief zoals we hem kennen; doormalen, doormalen,
doormalen. Alleen de hele hoge
toerenmotortjes vermochten die kadans te ontspringen. Soms, en dan ook
heel even maar, want een trein dendert voort, onophoudelijk. Jannie
Brochard hield het hoofd koel door een verbond te sluiten dat hem en
zijn bondgenoot fantastische uren van strijd en vriendschap opleverde.
Om nooit te vergeten...
Proloog
"lnpakken en wegwezen"
Met nauwelijks een Limburgs kwartiertje vertraging vertrekken wij
zaterdagmorgen 4 juli vol goede moed en met veel verwachtingen richting
Italië, voorzien van een keurig routeschema van reisleider Jean. Om niet
helemaal te ontvreemden van thuis heeft Jean zijn Ria aan boord van de
Volvo. “Prettig gezelschap en een leuke babbel dat ze heeft”, wist Piet
later te berichten.
1000 snelle kilometers, drie stops en enkele Big Mac's later komt Lana
in zicht. Een Godvergeten gat aan de voet van een 18 kilometer lange
berg. Samen met een uitstekend hotel zijn dat prima voorwaarden voor een
succesvol begin van onze tocht. En
voetbal of geen voetbal (Nederland-Argentinie), een aantal van ons laat
zich niet weer-
houden om de Gampenpas toch "even” te verkennen. Het blijkt geen
onverdeeld prettige kennismaking met deze stevige knoert, getuige de
rooie kopjes die in de rust van de
interland binnendruppelen. De zege van Oranje en een koel drankje zorgen
voor
afkoeling van de gemoederen.
De lollige chef de cuisine propt ons 's avonds vol met pasta en wij doen
dat vervol-
gens nog eens dunnetjes over aan het koud buffet. De dag van morgen
maakt er een
korte avond van. De volgende ochtend laten Gilbert en Jos nag even weten
"het cultu-
rele programma" ontdekt te hebben op tv. Kanaal17 was het, maar wat wil
de theater-
liefhebber die niet eens zo'n ding op z'n kamer heeft staan?
Eerste etappe: zondag 5 juli
Lana-Cavalese, 135 kilometer
Met Ger als chauffeur van de bus, de vorige avond samen met Ben
uitgeloot voor de eerste dag, gaan we om half tien op weg. Vanuit het
vertrek 18 kilometer bergop, gemiddeld zo'n 8% tot 9%.
Met een tempo van 13 a 14 kilometer gaat het kilometer na kilometer
omhoog. Ton op kop - niet voor het laatst - samen met broer Breur. "Bij
elkaar houden" luidt het devies, maar de col is toch een beetje lang om
doa te kunnen waarmaken. De staart van de groep laat stukje voor stukje
los van de kop. Met z'n negenen passeren de eersten na 1 uur en 20
minuten de top, met de rest van de meute dicht op de hielen. De kop is
er of!
In de afdaling naar Fondo kunnen we al even kijken naar wat ons aan het
eind van de laatste
dag nag staat te wachten. Bergaf ziet het altijd moeilijker uit dan
bergop, zo zal later maar
weer eens blijken. Na een korte routecheck in Fondo dalen we verder af
naar het prachtig gelegen meer van Cles. We rijden over diepe kloven
raod het meer en dan begint de weg weer te stijgen. Van dorpje naar
dorpje klimmen we omhoog naar de Mendelpas. Het is inmiddels half een en
langzaam tijd voor een bordje spagetti. Ben vindt het goed geweest voor
deze eerste dag en biedt aan om na de pauze de bus te rijden. Met
pastabuikjes duwen we de laatste 300 hoogtemeters van de pas onder de
wielen door.
Een prachtige afdaling, van 1363 naar 504 meter, brengt ons in Kaltern.
Via nauwe straatjes bereiken we het meer van Kaltern. Langs de boorden
van het koele nat trappen we ons in een zinderende hitte voort naar Auer,
met 244 meter het diepste punt van vandaag. De slotklim van zo'n 25
kilometer naar Cavalese, op 1000 meter hoogte, blijkt verve-lender dan
gedacht. Inschattingsfoutje van Frans, die er de laatste kilometers
bergop zeit het "slachtoffer" van wordt. Gelukkig lopen de laatste 6
kilometers vlak en bergaf naar het prachige Cavalese, dat zich koestert
in een warme zomerzon. Nauwelijks voor te stellen dat dit vredige dorpje
afgelopen winter werd getroffen door een verschrikkelijk ongeluk met een
cabinelift. Wij hebben nu alleen oog voor koele drankjes, een plekje
voor onze fietsen en een verkwikkende douche. Ons hotel blijkt een
allercharmantst onderkomen, heel warm door bet vele gebruik van hout en
natuurlijk met een trap naar de... derde verdieping. "Geen plaats voor
een lift" concludeert Jan. Dat laatste klimmetje, met bagage, pakken we
ook nog. Even later klinken aria’s onder klaterende douches, zippen
ritssluitingen open van sporttassen en kledingzakken en geuren reukjes
door gangen en trappenhuis. Buiten, op het zonovergoten pleintje, offert
Adri zich voor ons op met het afschrobben van de fietsen.
De geur van pasta kondigt het avondeten aan. Na een overvloedig maal en
een pilsje als toetje, beginnen langzaam maar zeker nomen als Pordoi,
Campolongo en Gardena door het hoofd te spoken. De volgende dog kondigt
zich aan en dat is voor de meesten van ons het sein om drie etages hoger
een rustplaatsje op te zoeken.
Tweede etappe: maandag 6juli
Cavalese-Ortisei, 100 kilometer
Cavalese ontwaakt zonnebadend. Het rumoerige stadje van gisterenmiddag
sluimert nog, als
beneden op "ons" pleintje een ratelendeftietsketling met korte en
preciese klikjes van kamwiel
naar kamwiel verhuist. Adri is al(weer) in touw om onze tietsen in
topconditie te brengen.
13 S.Oliver-mannetjes schuiven om 8 uur aan tafel voor een stevig
ontbijt. Net echt, zo'n eenheidstenue. Alsof je met de ploeg aan tafel
zit voor de start van een Giro-etappe. Misschien voelen we ons oak wel
zo; als een team dat aan een volgende, zware en mooie
etappe begint. Er begint iets te groeien in de groep...Breur laat ons
alvast in de spiegel van deze dag kijken. Afstanden, hoogteverschillen,
rijgedrag, koprijders, teamgeest: kort en bondig laat onze nestor weten
wat ons te doen en te wachten staat. En dan zijn we weg, op naar het
hooggebergte. Aan het stuur van de auto zit vanochtend Jean.
Cavalese, Predazzo, Moena, Vigo di Fassa. Met elk dorpje klimt de
Dolomietenweg hoger en hoger. Ger en Edwin stoempen stug door, op weg
naar Canazei. Nog even verspert een drukgebarende agent de steile oprit
naar de Pordoi. Misschien heeft-ie gezien dat ik naar adem hap en geeft
hij daarom het tegenverkeer nog even langer dan nodig voorrang. Vijf
lastige kilometers verder, op de splitsing Sella/Pordoi, slaan we
rechtsaf. Nog zo'n 7 kilometers scheiden ons van de Passo Pordoi. De
groep is allang uit elkaar geslagen. Terwijl achteraan wordt gevochten
'om de afstand zo klein mogelijk te houden, wordt op kop de Koning van
de Pordoi gekroond. Ik zie het later, als ik moegestreden boven kom,
meteen: er hangt een aureooltje, een stralenkrans, fond het hoofd van
Armand. Hij hoeft niet uit te leggen wat ik
niet gezien heb. Ik besluit vanmiddag de pijp aan Maarten te geven. Maar
hoe krijg ik die kolere Mercedesbus, waarin ik nog nooit gereden heb, in
Godsnaam heel beneden? Onder
me zie ik de haarspeldbochten, die bij een bord spagetti door mijn hoofd
blijven malen. Het blijkt allemaal heel erg mee te vallen. Een prachtige
afdaling eindigt in Arabba, een groepje huizen met een kerk, aan de voet
van de Campolongo. Geen moeilijke pas, slechts een paar honderd meters
hoogteverschil, had ik thuis aan de landkaart ontfutseld. De waarheid
blijkt anders te zijn. ‘t Is een steil kreng en het net verorberde bord
pasta weegt ook al zwaar. De afdaling naar Corvara is een
aaneenschakeling van bochtjes, die links en rechts van de vallijn
uitbreken.
Nog een keer omhoog, naar de mooiste en zeker de lastigste pas van de
dag: de Passo Gardena. Breur dirigeert de schoonbroertjes Ton en Gilbert
op kop. De groep danst ritmisch mee op het tempo van de twee. De kans
voor mij om een keer als eerste over de top te zeillen, denk ik. Maar
een laatste foto van twee achterblijvers wordt me fataal. In het spoor
van de eersten passeer ik de pas en parkeer de bus pal voor het hotel op
de top. Snel worden jasjes en vesten aangetrokken en binnen enkele
minuten is de groep compleet voor een adembenemende duik naar het Val
Gardena. In de afdaling passeren we de splitsing naar de Sella-pas. De
meesten zullen zich wellicht niet realiseren dat we hier morgen weer
voorbijschuiven, maar dan in omgekeerde richting en stapvoets in plaats
van in sneltreinvaart.
Bij het afgesproken plaatsnaambordje "Ortisei" blijkt Breur de enige der
Mohikanen. De rest is verder naar beneden, door de tunnel, eerste weg
links. Daar staan ze, trouw te wachten. Op naar het hotel, letterlijk en
figuurlijk. Dik een kilometer sluipt de weg met soms 14% omhoog. Nog een
oprit en we zijn er: Hotel Picuel.
Zij we er echt? Neen, Piet ontbreekt! Even wachten en dan terug met de
auto. Als onze
super-daler maar niet is "doorgeschoten". Met Armand rijd ik het dal
weer omhoog, richting Selva. Niets te zien. Terug. Dan maar het dorp in,
dat terzijde van de doorgaande weg ligt.
Te voet loop ik de straat omhoog naar de VVV. Ik zou tenminste naar de
VVV gaan als
ik niet wist in welk hotel ik moest zijn. Buiten zie ik geen fiets staan
en ik aarzel om binnen te goon vragen of een Oranje wielrenner moeilijke
vragen is komen stellen. Als ik dat wel gedaan had, had ik geweten: dat
Piet wel degelijk binnen was geweest, inmiddels in het hotel onder de
douche stand, mijn ingewikkelde uitleg over een vermist persoon aan oom
agent overbodig was, we niet n6g een keer 10 kilometer terug hadden
hoeven rijden naar de voet van de Sella en, en, en...Maar na zo'n
moeilijke dag zijn dit soort vergissinkjes slechts peanuts. Zand erover
en klaar.
Ons hotel is weer een (gelukkig) schot in de roos. Als koningen blikken
we neer op het plaatsje Ortisei, waar na een prima diner de lichtjes een
voor een aanfloepen voor de
nacht. Bij ons gaan de kaarsjes langzaam maar zeker uit.
Derde etappe, dinsdag 7 juti
Ortisei-Moena, 103 kilometer
Het ritueel herhaalt zich. De vroege vogels onder ons die nog een beetje
slaapdronken de ochtendhemel aan een inspectie onderwerpen, treffen
buiten tegen de hotelmuur dertien keurig gepoetste fietsen in gelid aan.
Adri is weer aan het werk geweest! Het zal niet zijn laatste kunstje
zijn vanmorgen.
Als even later de kopjes van de eitjes vliegen, wandelt langs het raam
een eenzame skiër voorbij. Het ontbloot bovenlijf en de boxershorts zijn
aangepast aan het jaargetijde, de wollen muts en overschoenen slechts
preventieve maatregelen voor een weersomslag op de piste. "Gaot d'r
met?", roept de man ons toe. Een Limburger, wat leuk hier zo ver van
huis. Natuurlijk is het Adri, wie anders?
Vanuit het vertrek loodsen Ger en Edwin ons van Ortisei via Wolkenstein
naar Selva di Gardena, aan de voet van de Sellapas. Zo'n 10 kilometer
bergop, gelardeerd met korte venijnige stujjes van wel 12 %. Aan het
begin van de col sluiten Jan en Frans een mooi verbond: samen naar boven
is altjjd beter dan met de bus. Op de top worden we onthaald met een
applausje. Geen mooier respect dan dat van je lotgenoten.
Als piloten suizen we naar beneden, richting Canazei. Op de splitsing
naar de Pordoi gaan de gedachten voor een moment 24 uur terug. Wat
vliegt de tijd. En wij vliegen mee, op weg
naar Canazei en de passo Fedeia. Braafjes klimt het asfalt vanaf Canazei
door het dal ornhoog. Plots begint de weg met zo'n 10% te stijgen. De
bochtige passtraat gaat
over in lange linten asfalt, slechts onderbroken door enkele beklinkerde
tunneltjes. De
zoveelste tunnel duikt op. Het licht aan het eind maakt in dubbel
opzicht komaf met
een beklemmend gevoel: het gevaar is geweken en de pas is bereikt.
't Is druk op de Marmolada. Het af en toe openbrekende wolkendek laat in
een glimp zien waarom al die mensen naar hierboven zijn gekomen: de
uitlopers van een machtige gletsjer die overgaan in gigantische
ijsmassa's, hogerop verdwijnend in een grijze en natte deken. De eerste
druppels tikken op onze fietshelmen. Snel een jasje aan en naar beneden.
De vlakke weg langs een prachtig meer duikt plots de diepte in. Blij dat
we hier niet omhoog moeten, flitst het door mijn hoofd. Maar het kan nog
erger. Na een paar kilometer dalen doemt een soort skischans op. Zover
je kunt zien valt de weg als een kaarsrechte asfaltstreep
duizelingwekkend stijl naar beneden. Dit is het domein van Pantani, hier
breekt hij reputaties, zoals enkele weken geleden die van Alex Zülle. De
Helveet kon op deze Halembaye van de Dolomieten onmogelijk aanklampen
bij het Olifantje en verloor de Giro. Wij suizen met bijna 90 kilometer
per uur naar beneden, achtervolgd door de regendruppels op de top.
De hel
Adri rijdt twee keer achter mekaar lek. Een goed moment voor spagetti.
De regendruppels zijn inmiddels geevolueerd tot een heuse bui en Breur
gaat op zoek naar een geschikte pastatent. Een afdakje in de straten van
Caprile bespaart ons een nat fietpak. Dan duikt onze pionier weer op,
hij heeft wat gevonden. Het zal een perfecte greep blijken, Als de
eerste dampende borden op tafel staan, breekt buiten "de hel".
Donderslagen en lichtflitsen doen onze voorhoofden fronsen. Als dat maar
goed gaat op de laatste pas, de San Pellegrino. We zijn er vlug uit: het
kan niet goed gaan. Bij de baas informefen we naar een busje dot ons de
laatste 40 kilometer droog en veilig naar Moena kan brengen. De man
blijkt er zeIt een te hebben en dus is het pleit vlug beslist. Tien man
kruipen op en tussen de stoelen van het personenbusje en Armand, Adri en
Frans crossen met de Vito door de stromende regen achter de Monte
Civetta-bus aan.
We dalen af naar zo'n 800 meter hoogte en dan begint de klim naar de
voet van de Passo di San Pellegrino. Met open monden kijken we naar het
soms Cauberg-steile wegdek, dat vele kilometers lang slechts de aanloop
is naar de pas. Regenwater gutst naar beneden. Na het laatste dorpje
maakt de weg een draai en dan begint de pas in korte muursteile stukjes
van 15 tot 18% de hoogte in te schieten.
Op onze comfortabele stoelen is de vraag wie hier (onder deze
omstandigheden) fiet-
send zou zijn bovengeraakt. 11 kilometer lager regent het wolkendek uit
in Moena, een kleurrijk en gezellig dorpje aan de rand van de
Rozengarten. Na een korte kennismaking met Hotel Garden maken Frans en
Adri rechtsomkeert met de Vito om de fietsen op te halen in Caprile. Een
dik uur later zijn zij terug met een vrachtje ijzerwaar van zo'n veertig
duizend gulden. In het hotel blijken inmiddels besprekingen te hebben
plaatsgevonden met Fraulein
Tiziana. Daarin is Frans gepromoveerd tot President van de club, tevens
burgemeester in zijn woonplaats, en vader van acht Bambini. Nou, dan ben
je iemand in Italie en Tiziana toont met twinkelende oogjes haar respect
over zoveel vruchtbaarheid. Le President is echter standvastig - in die
functie moet je immers het hoofd koel houden - en richt zijn aandacht op
de benen van Ronaldo en Stam in plaats van die van 1iziana. Misschien
toch de verkeerde keus gemaakt? Nederland verliest met strafschoppen van
Brazilie en de desillusie doet iedereen vroeg afdruipen.
Vierde etappe, woensdag 8 juti
Moena-Lana, 113 kilometer:
Adri maakt er een potje van. Met zeepsop. Witte schuimkragen druipen om
7 uur ‘s morgens longs Columbus-, Reynolds- en OCLV Carbon-buizen
omlaag. Het machinepark is er weer klaar voor.
Om half tien stuurt Gilbert de Mercedes van de parkeerplaats af. Tiziana
en haar schoonzus wuiven ons uit, La Mama brabbelt nog een paar
Italiaanse woordjes – een schietgebedje voor ons?- and off we go.
Costalunga. Klinkt griezelig, is ‘t niet. Karerpas is de Duitstalige
naam van de eerste berg van deze dag die we gezwindt veroveren. Op 1700
meter schijnt de zon, maar het temperatuurverschil met het dal is
minstens een warm jack. En een paar handschoenen.
De kou jaagt ons omlaag. Met elke trap komt de warmte van het dal
naderbij. Een prachtige afdaling van nagenoeg 30 kilometer eindigt in de
schoonheid van een rotskloof die zich soms vernauwt tot claustrofobische
afmetingen.
Meesluipend met het drukke verkeer door de randen van Bolzano zoeken wij
ons een weg naar de Weinstrasse. Wijzend op de bordjes met die naam
wordt de goede raad van Breur in de wind geslagen. Ik herken de tunnel
die naar de Mendelpas leidt.
Eenmaal in het spaarzaam verlichte gat bekruipt me een naar gevoel. We
zitten niet verkeerd, maar ook niet goed. Als de zon weer tevoorschijn
komt, razen auto’s ons zowel voorbij als tegemoet. Slechts gescheiden
door een vangrail in het midden. We zitten op de Autobahn! Da's weer
eens wat anders en bovendien kunnen we geen kant meer uit. In gelid
peddelen we voort op de vluchtstrook, op zoek naar het plaatsje “Ausfahrt".
Een paar kilometer verder vinden we het, met de toevoeging Weinstrasse
Mendel pass. In Eppan verlaten we de drukke weg. Na wat keren en draaien
door nauwe straatjes begint de passo di Mendola. Dertien kilometer lang,
van 500 naar ruim 1300 meter. Ger en Edwin profiteren van het
buitenkansje dat wegkapitein Breur geboden heeft: rijden maar. Twee
plaatselijke wielerhelden raggen op het buitenblad aan ons voorbij.
Twintigers en dus geen eerlijke concurrentie. Op de top, in een
van de ristorantos wordt stoom afgeblazen en energie getankt voor de
laatste loodjes.
Met Fondo komt de laatste hindernis van de tocht in zicht: de Passo di
Palada ofwel de
Gampenpas. In omgekeerde richting van de eerste dag. Wat toen niet zo
makkelijk leek, blijkt
nu een relatieve peulenschil. En groupe scheren we over de top, 1500
meter hoog.
18 kilometer verder en 1200 meter lager ligt Lana. Het plezier van de
mooie afdaling wordt getemperd door het besef dat de tocht ten einde
loopt. De eerste huizen van Lana zijn het
baken voor hergroepering. Het zwembad in de ruin van ons hotel
Gschwangut baadt nog in de zon. Ton lost zijn belofte in om de goede
afloop te vieren met een aangeklede plons. Fototoestellen klikken. 't
Zit er op...
Epiloog
Vijf prachtige dagen passeren op de zesde als het vluchtige landschap op
de Duitse Autobahn. In flarden trekken de beelden voorbij. Zo nu en don
stopt de film, als de remlichten van voorgangers aanfloepen. Is 't nu
echt voorbij? Neen, dit is slechts het begin. De doorstart van
een groep wielerenthousiastelingen die mekaar in zes dagen beter heeft
leren begrijpen dan in alle voorbije jaren samen. Dat is, met de vele
herinneringen, de pure winst van de Giro del Dolomiti.
Frans Laeven
Juli 1998